• Slider_Landgoedwandelen_06

    Ontdek de groene oase in de Randstad

  • landgoedwandelen-1

    Ontdek de groene oase in de Randstad

  • landgoedwandelen-2

    Ontdek de groene oase in de Randstad

  • landgoedwandelen-3

    Ontdek de groene oase in de Randstad

  • header-schapen-nieuw

Beleef de Landgoederenzone Zuid-Holland

Wandelroutes door Leidschendam-Voorburg, Rijswijk, Voorschoten en Wassenaar

Wassenaar_14_Voorlinden_hoofdhuis_linker zijgevel_2017_EGH (5)

Wassenaar_2_De Paauw_Prinsessetuin_2016_Roel van Norel

Wandelen_03

LV_4_Hofwijck_EGH_2017 (5)

Wandelen_02

Voorschoten_4_Adegeest_P.J. Lutgers_circa 1850

LV_7_Arentsburg-Hoekenburg_Hoekenburg_Vlietzijde_EGH_2017 (3)

 

Zuid-Holland kent nog zo’n tweehonderd landgoederen en buitenplaatsen. Stuk voor stuk zijn het prachtige plekken die interessante vensters op de Hollandse geschiedenis bieden. Het zijn belangrijke elementen van ons culturele erfgoed en oases van ruimte en natuur.

Landgoederen en buitenplaatsen zijn vooral te vinden op natuurlijke verhogingen in het landschap. De meeste – zo’n tachtig – liggen in Zuid-Holland op de oude strandwallen tussen Den Haag en Hillegom. Deze Landgoederenzone Zuid-Holland is cultuurhistorische en landschappelijk uniek in Nederland en herinnert ons aan de invloedrijke positie die Holland economisch en bestuurlijk al eeuwenlang inneemt.

Stedelijke elites

De in 1588 uitgeroepen Republiek der Verenigde Nederlanden ontwikkelde zich tot een toonaangevend land. In de 17de of Gouden Eeuw bloeiden niet alleen de handel en economie. Ook op cultureel en wetenschappelijk gebied waren de prestaties uitzonderlijk. In de welvarende Hollandse steden gaven regenten en rijke kooplieden de toon aan. De meeste steden werden uitgebreid met grachtengordels waaraan fraaie panden verrezen. Ook richtte de stedelijke elite haar aandacht op het omringende platteland. Om van rust en frisse lucht te kunnen genieten, lieten welvarende stedelingen buiten de stadspoorten zogenoemde ‘speeltuinen’ of ‘lusthoven’ aanleggen.

De allerrijksten konden zich de luxe veroorloven om een buitenplaats te kopen. Zo’n bezit gaf prestige en was vooral weggelegd voor bestuurders op landelijk niveau. Vrijwel alle buitenplaatsen zijn gebouwd in de 17de en 18de eeuw. Het bezit van een buitenplaats gaf niet alleen status, maar had ook praktische voordelen, want ondanks de welvaart was het destijds niet echt goed toeven in de Hollandse steden. Er was geen schoon water, geen riolering en geen afvalverwerking. Daardoor braken er vooral ’s zomers vaak ziektes uit. Wie het zich kon permitteren, bracht de zomer liever in de gezonde buitenlucht door.

De dorpen op de oude strandwallen langs de kust boden zeer geschikte locaties voor buitenplaatsen. Ze lagen in fraaie bosrijke gebieden en waren vanuit de steden als Den Haag en Leiden goed te bereiken. Een plaats als Voorschoten bijvoorbeeld telde tientallen buitens. Toen in de 17de eeuw trekvaarten werden aangelegd, nam het aantal buitenplaatsen langs deze vaarroutes sterk toe. Reizen met de trekschuit was comfortabeler dan per rijtuig en ook was het makkelijker om huisraad naar het zomerhuis te vervoeren en bezoekers over te laten komen.

Agrarische oorsprong

Aan veel buitenplaatsen was een agrarisch bedrijf verbonden. Soms was de buitenplaats zelf een verbouwde boerderij, zoals Backershagen en Duinrell te Wassenaar. Andere waren gebouwd op of bij restanten van middeleeuwse kastelen, zoals Te Werve in Rijswijk. Een enkele buitenplaats werd geheel en al ter ontspanning aangelegd. Het bekendste voorbeeld hiervan in de Landgoederenzone Zuid-Holland is Hofwijck in Voorburg, dat in opdracht van diplomaat, geleerde, dichter en componist Constantijn Huygens werd gebouwd.

Leven op de buitenplaats

Op buitenplaatsen stonden naast het woonverblijf meestal ook één of meer boerderijen en dienstgebouwen. Om in de zomer dranken koel te houden, werden ijskelders gebouwd waarin brokken ijs soms jarenlang bevroren bleven. Verder waren er voorzieningen als theekoepels, hertenkampen, volières en visvijvers. Soms was er een oranjerie. Bijzondere plantensoorten werden van over de hele wereld aangevoerd en veel bezitters van buitenplaatsen legden daarvan collecties aan.

Van tuinen werd veel werk gemaakt. In de 17de eeuw waren classicistische tuinen, met geometrische vormen, stelsels van lanen en zichtassen populair. In de 18de eeuw kwam de landschapsstijl in de mode. Die hadden met kronkelende paden, golvende bosranden en beekjes een heel ander aanzien. Voor een extra pittoreske en romantische uitstraling werden soms namaakruïnes en tempeltjes aangelegd.

Renteniers

Aan het einde van de 17de eeuw was er sprake van een geleidelijke economische achteruitgang. De meeste bezitters van buitenplaatsen hadden eerst niet zwaar onder de recessie te lijden. Zij trokken zich terug uit de handel, belegden hun geld in obligaties en gingen rentenieren. Veel buitens werden in de loop van de 18de eeuw dan ook juist uitgebreid.

Het grote verdwijnen

Aan de hoogtijdagen van de buitenplaats kwam een einde in de Bataafs-Franse tijd (1795-1813). Het openbaar bestuur werd gecentraliseerd en de stedelijke regenten en de adel verloren hun politieke macht. Revolutionaire opvattingen over vrijheid, gelijkheid en broederschap zorgden voor kritiek op de oude standsverschillen. Adellijke bezittingen werden na de Bataafse Revolutie geconfisqueerd en verkocht en sommige buitenplaatsen werden gesloopt. Het erfrecht werd vernieuwd. Bezittingen dienden voortaan onder alle erfgenamen te worden verdeeld, wat het lastig maakt om landgoederen bijeen te houden. Eigenaren van buitenplaatsen kregen het intussen financieel steeds moeilijker omdat door de enorme schuldenlast van het landsbestuur nog maar een gedeelte van de rente op de staatsobligaties werden uitbetaald. De inkomsten van rentenierende bezitters van buitenplaatsen liepen hierdoor sterk terug.

Aan de Bataafs-Franse Tijd kwam een einde en in 1815 werd het Koninkrijk der Nederlanden uitgeroepen. Daarin werden de oude machtsverhoudingen enigszins hersteld, maar toch haalden veel buitenplaatsen het einde van de eeuw niet. In de loop van de 19de eeuw bleek dat veel van de Zuid-Hollandse buitens door economische ontwikkelingen werden bedreigd. In het duingebied verdwenen er vele omdat het lucratiever was om duinzand op het terrein af te graven en te gebruiken voor de aanleg van wegen en spoorlijnen.

Toen rond 1870 ook in Zuid-Holland de industrialisatie op gang kwam en de economie weer opbloeide, werden vele nieuwe stadswijken gebouwd om de groeiende bevolking te kunnen huisvesten, zoals de woonwijken De Kievit en Marlot in Wassenaar. Ook hiervoor moesten landgoederen wijken, evenals voor de aanleg van fabrieken en nieuwe infrastructurele voorzieningen. Zo werd er in 1868 een spoorlijn dwars door de destijds zo zorgvuldig ontworpen tuin van Hofwijck aangelegd.

Aan het einde van de eeuw kochten projectontwikkelaars landgoederen om er villa’s op te bouwen. Ook werden landhuizen verkocht aan ziekenhuizen en psychiatrische instellingen. Wie nog wel privé op een buitenplaats woonde, kreeg in de 20ste eeuw met steeds hogere personeelskosten te maken, waardoor het vrijwel onbetaalbaar werd om huis en tuin in stand te houden. Dit alles leidde er toe dat tussen 1850 en 1950 het merendeel van de Zuid-Hollandse buitenplaatsen simpelweg verdween.

Waardering

Sinds de jaren ’70 van de 20ste eeuw wordt de cultuurhistorische, natuur- en recreatiewaarde van landgoederen en buitenplaatsen in toenemende mate erkend. Toch is een markante buitenplaats als Duinrell in Wassenaar in 1986 nog gesloopt. Pas met de Monumentenwet van 1988 worden historische buitenplaatsen met hun park als geheel beschermd als ‘complex historische buitenplaats’. Er zijn nog buitenplaatsen in particuliere handen, maar het merendeel leidt een nieuw bestaan als kantoor, congrescentrum of hotel. Het buiten van Constantijn Huygens, Hofwijck, is nu een museum en de tuin is enkele jaren geleden gereconstrueerd.